Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.

De Liberale Partij en vrouwenstemrecht (1900-1950)

De Belgische Liberale Partij speelt een paradoxale rol in de strijd voor vrouwenrechten in de eerste helft van de twintigste eeuw. Hoewel de ideologisch in de Verlichting en het gelijkheidsbeginsel gewortelde partij zich inzet voor de burgerlijke en juridische ontvoogding van vrouwen, en prominente feministen zoals Georgette Ciselet, Marthe Boël en Jane Brigode in haar rangen telt, trekt de partij de handrem aan in plaats van het gaspedaal in te trappen wanneer het gaat om politieke gelijkheid voor vrouwen.

De Belgische vrouwen zijn in de internationale vrouwenwereld een waar curiosum geworden. (…) Zullen wij moeten wachten totdat de vrouwen van Zululand stemrecht krijgen, opdat ook wij zouden mogen stemmen?1 Met deze tijdsgebonden hartenkreet geeft de feministische socialiste en rechtstreeks verkozen Kamerlid Isabelle Blume, als verslaggever van een rapport van de middenafdeling van de Kamer in oktober 1945, uiting aan haar teleurstelling. Een wetsvoorstel voor algemeen vrouwenstemrecht moet een jaar na de Bevrijding nog steeds goedgekeurd worden. De Liberale Partij draagt een belangrijke verantwoordelijkheid voor deze trage gang van zaken. De partij, gedomineerd door Brusselse notabelen, verzet zich decennialang tegen vrouwenstemrecht, grotendeels uit angst dat vrouwen katholiek zouden stemmen. Een meerderheid van de Belgische liberalen argumenteert tot de Tweede Wereldoorlog dat vrouwen eerst volledig maatschappelijk geëmancipeerd en vrij moeten zijn alvorens ze in alle vrijheid en zelfstandigheid kunnen wegen op de politieke toekomst van het land. Binnen deze opvatting van het vrijheidsbeginsel, die onlosmakelijk verbonden is met de tijdgeest, moeten de vrouwen eerst weggeleid worden van buitensporige klerikale beïnvloeding.2

Émile Féron (1909).

1895-1901: vrouwenstemrecht in de schuif

In 1895 dienen de socialisten een amendement in om vrouwen die aan dezelfde kiesvoorwaarden voldoen als mannen binnen het stelsel van het algemeen meervoudig stemrecht, ook gemeentelijk stemrecht toe te kennen. De door het meervoudig mannenstemrecht sterk ingeperkte liberale fractie reageert verdeeld. De groep ja-stemmers uit de liberale fractie bestaat grotendeels uit naar democratisering strevende progressistische liberalen die in 1894 in het arrondissement Luik vanop een kartellijst met de socialisten verkozen raakten. Tot deze groep behoren Ferdinand Fléchet, Paul Heuse, Léon Brouwir en de jonge Charles Magnette.3

In de jaren nadien schuiven de meeste progressistische liberalen uiteindelijk op naar een negatieve opstelling ten aanzien van de directe invoer van vrouwenstemrecht. In de zomer van 1901 wordt de kloof tussen vrouwenstemrecht als een op principes gebaseerd streefdoel en het uitstel ervan als partijpolitieke praktijk bijzonder tastbaar.  De parlementsgroep van de partij die zich volledig achter de eis van algemeen enkelvoudig stemrecht schaart, laat in juli 1901 via de progressieve liberaal Émile Féron aan de socialistische collega's weten dat een gezamenlijke campagne voor algemeen enkelvoudig stemrecht - en dus de afschaffing van het systeem van algemeen meervoudig mannenstemrecht - alleen mogelijk is als de socialisten tijdelijk de in hun programma vermelde eis van vrouwenstemrecht inslikken.

Deze toenadering onder voorwaarden gebeurt op een moment dat de doctrinaire en progressieve vleugels, na een lange periode van verdeeldheid, voor het eerst weer achter een gemeenschappelijk liberaal programma staan, waarin geen enkele verwijzing naar vrouwenstemrecht is opgenomen. Ongeacht de positie die individuele liberale politici innemen ten aanzien van vrouwenstemrecht, is de consensus binnen de herenigde partij dat de invoering ervan aan het begin van de twintigste eeuw nog lang niet aan de orde is. Rond 1900 twijfelen de liberalen er geen moment aan dat vrouwenstemrecht alleen maar de dominantie van de katholieke partij zou versterken. Eerst moet de politieke gelijkheid tussen mannen worden bewerkstelligd om de katholieke meerderheid te doorbreken.4 Wanneer in maart 1902 gestemd wordt over een wetsvoorstel dat politieke gelijkheid zonder onderscheid tussen mannen en vrouwen wil invoeren voor gemeentelijke en provinciale verkiezingen op basis van algemeen enkelvoudig stemrecht vanaf 21 jaar, stemmen de liberalen unaniem tegen, in tegenstelling tot in 1895.5

Maurice Lemonnier (1930).

1919-1920: zinloos verzet tegen gemeentelijk vrouwenstemrecht

Na de Eerste Wereldoorlog, in 1919, wordt algemeen enkelvoudig mannenstemrecht daadwerkelijk ingevoerd. Dit gebeurt niet door de druk van een socialistisch-liberaal kartel, maar door de veranderende tijdgeest en de behoefte aan verzoening over vooroorlogse conflicten. Bij de onderhandelingen over het enkelvoudig stemrecht voor alle mannen vanaf 21 jaar bij de volgende parlementsverkiezingen, doen de liberalen een concessie. Binnen een breder, op 10 april gesloten, akkoord wordt beslist om stemrecht voor de parlementsverkiezingen toe te kennen aan een zeer gelimiteerde categorie van vrouwen: niet-hertrouwde weduwen van gesneuvelde soldaten en gefusilleerde burgers of, bij ontstentenis van hen, hun moeders wanneer zij weduwe waren, alsook de vrouwen die om politieke redenen veroordeeld werden of in hechtenis hadden gezeten.6 Liberaal fractievoorzitter Maurice Lemonnier ziet het ‘pact van 10 april 1919’ als een bittere pil, een ‘offer’ om te voorkomen dat de socialisten en katholieken via hun meerderheid het vrouwenstemrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen zouden doordrukken. Lemonnier stelt op het eerste naoorlogse partijcongres in juli 1919 zijn partijgenoten gerust dat het minieme aantal nieuwe vrouwenstemmen geen impact zou hebben op de electorale machtsverhoudingen.

Gemeentelijk vrouwenstemrecht in België (gegeneerd met Dall-E3 via Bing AI).

Op het congres van 1919 wordt duidelijk dat het negentiende-eeuwse doctrinaire liberale denkkader, waarin het kiesrecht geen recht maar een functie is, nog steeds de toon aangeeft. De partij verklaart zich niet principieel tegen de toekenning van volwaardige politieke rechten aan vrouwen op termijn, maar legt de nadruk op een stapsgewijs proces. Voor de liberalen is stemrecht in 1919 geen middel, maar een doel op zich. Volgens de goedgekeurde congresresolutie moet de vrouw, die tot dat moment geen interesse in politiek heeft getoond, geleidelijk worden voorbereid op het uitoefenen van politieke rechten, alvorens ze via het kiesrecht de macht over het bestuur van het land zou krijgen. De burgerlijke ontvoogding en politieke educatie van de vrouw wordt gezien als essentieel en noodzakelijk om haar volledige politieke rechten te kunnen verlenen. Deze educatie moet onder andere plaatsvinden door de opname van vrouwen in alle verenigingen, kringen en bonden die verbonden zijn met de partij, aldus de congresresolutie.7

Het bureau van het partijcongres in juli 1919 (La Dernière Heure).

Het akkoord dat in april 1919 wordt bereikt tussen afgevaardigden van de drie traditionele partijen over de invoering van algemeen enkelvoudig mannenstemrecht bij de volgende verkiezingen, gaat ervan uit dat katholieken en socialisten hun meerderheid zullen gebruiken om vanaf de volgende gemeenteraadsverkiezingen alle vrouwen vanaf 21 jaar via een wet enkelvoudig gemeentelijk stemrecht te verlenen. De liberalen behouden zich echter het recht voor om zich tegen het gemeentelijke vrouwenstemrecht te verzetten. Dit doen ze uiteindelijk in 1920 met scherpe parlementaire uitvallen van Lemonnier en Fernand Cocq (in de Kamer) en Eugène Goblet d’Alviella (in de Senaat), evenals door vergeefse vertragingsmanoeuvres.8 De forse stellingnames van liberale boegbeelden in het parlement verraden hun angst dat het netwerk van gemeentescholen in de stedelijke liberale bastions in het gedrang zou komen door een massale toename van vrouwenstemmen voor de Katholieke Partij. De Liberale Partij meet zich in deze periode dan ook graag het imago aan de grote behoeder van het officieel onderwijs te zijn.9

Ondanks hun energieke verzet kunnen de liberalen uiteindelijk niet voorkomen dat in maart 1920 een kieswet, die vrouwen gemeentelijk stemrecht verleent - in lijn met het akkoord tussen socialisten en katholieken uit 1919, waarbij de negatieve liberale opstelling wordt genegeerd - een meerderheid behaalt in de Kamer. De overgrote meerderheid van de socialistische parlementsleden gelooft in 1919-1920, in tegenstelling tot de liberalen, dat de tijd rijp is voor gemeentelijk vrouwenstemrecht als eerste stap in het politieke emancipatieproces van vrouwen, hoewel er ook binnen de socialistische beweging nog steeds een aanzienlijke tegenstroming bestaat.10 Lemonnier stelt met een amendement nog vergeefs voor om een referendum te organiseren om zich uit te spreken over gemeentelijk kiesrecht voor vrouwen. Daaraan zouden enkel mannen mogen deelnemen.11

Het interbellum: twee liberale prominenten roeien tegen de stroom in

De wet van 15 april 1920, de eerste belangrijke stap richting politieke gelijkheid voor vrouwen, kan in de Kamer uiteindelijk slechts rekenen op de steun van twee liberalen. De burgemeester van Brussel, Adolphe Max, en de minister van Buitenlandse Zaken, Paul Hymans, stemmen - tegen de lijn van hun fractie in - voor de wet die gemeentelijk vrouwenstemrecht invoert.12 Het zou overdreven zijn om Max en Hymans als feministen voor te stellen, maar hun ja-stem in 1920 is wel zeer betekenisvol vanwege hun eminente positie binnen de partij. Ze maakten zij aan zij opgang als politici sinds het begin van de twintigste eeuw. Max verwierf in 1914 een heldenstatus als de burgemeester van Brussel die zich verzette tegen de Duitse bezetter en uiteindelijk gearresteerd werd. In 1918 werd hij  beloond met de titel van minister van Staat. Hymans, bij het uitbreken van de oorlog reeds 14 jaar actief als volksvertegenwoordiger, werd in 1914 benoemd tot minister van Staat. Zijn diplomatieke inzet tijdens de wereldoorlog leverde hem daarna ook de ministerpost van Buitenlandse Zaken op. Max en Hymans zijn geen volbloed doctrinairen van de oude stempel en hebben weinig boodschap aan antiklerikale scherpslijperij. In de plaats daarvan vertegenwoordigen zij een pragmatische centrumpositie die de traditie van het liberale doctrinarisme combineert met progressieve ideeën over de sociale kwestie en het kiesrecht. Desondanks blijven ze beiden blind voor de Vlaamse eisen.13

Max is in 1920 - in tegenstelling tot zijn partijgenoten, en in het bijzonder fractieleider Lemonnier, die hem als burgemeester van Brussel in 1914-1917 verving - niet overtuigd dat de nog gebrekkige politieke en administratieve opvoeding van de vrouw in tijden van algemeen enkelvoudig mannenstemrecht voor alle verkiezingsniveaus, nog een argument kan zijn om vrouwen van gemeentelijk stemrecht uit te sluiten.14 Hymans verbaast zich dan weer over de hooghartigheid waarmee Kamerleden zoals Lemonnier en enkele Waalse socialisten de inferioriteit van vrouwen wegens het zogenaamde gebrek aan politieke educatie blijven verkondigen. Hadden niet heel wat vrouwen zowel binnen het gezin als op de arbeidsmarkt letterlijk en figuurlijk hun mannetje gestaan tijdens de oorlogsjaren?15

De Brusselse boegbeelden Paul Hymans (1919) en Adolphe Max (1939) op de voorpagina’s van Pourquoi Pas?

Max en Hymans blijven trouw aan hun principiële houding om de stapsgewijze politieke emancipatie van de vrouw via vrouwenstemrecht in de praktijk te bewerkstelligen.  Wanneer in 1921 een wetsvoorstel wordt ingediend om vrouwen die op de kiezerslijsten voor de gemeenteraadsverkiezingen staan ook het recht te geven om te stemmen bij de provincieraadsverkiezingen, stemmen Hymans en Max opnieuw voor, tegen de lijn van hun eigen fractie in. Hymans kijkt eind 1921 positief terug op de ervaring van de gemeenteraadsverkiezingen van april waar vrouwen voor de eerste keer ‘vrij en correct’ hun stem uitbrachten, verkiezingen waarbij de liberalen ondanks alle eerder geschetste doembeelden standhielden.16 Uiteindelijk komt er van provinciaal kiesrecht voor vrouwen niets in huis in het interbellum omdat de meeste socialisten en liberalen zich hiertegen blijven verzetten. Max en Hymans kunnen dus op langere termijn de negatieve houding van de meerderheid van liberale parlementsleden niet verhelpen. Gedurende het hele interbellum blijft de officiële partijlijn de afkeuring van de onmiddellijke toekenning van verdere politieke rechten aan vrouwen, zolang er geen sprake is van verregaande burgerlijke en juridische ontvoogding. Toch blijft de partij op haar congressen benadrukken dat zij op een bepaald moment bereid is vrouwen volledige politieke gelijkheid toe te kennen.17

“Le Parti Libéral estime qu’il est équitable en soi et nécessaire pour le pays que les femmes belges jouissent d’une pleine capacité politique. Mais le Parti Libéral, d’accord sur ce principe, n’en préconise point l’application immédiate. Il estime que toutes les femmes n’ont pas actuellement une expérience suffisante des affaires pour pouvoir intervenir judicieusement dans le domaine électoral.”

(Georgette Ciselet, Guide pratique du Conférencier Libéral, 1936)

1945: een achterhoedegevecht in de schaduw van de oorlog

De ruimte om de legitimiteit van de onmiddellijke invoering van het vrouwenstemrecht in twijfel te trekken is na de Tweede Wereldoorlog, nadat in het verzet ook vrouwen hun eigen leven op het spel hebben gezet, bijzonder klein geworden.

Op de eerste naoorlogse vergadering van het Bestendig Comité van de Liberale Partij in november 1944, kort na de Bevrijding, presenteert het Luikse kopstuk Auguste Buisseret een wervende beginselverklaring met richtlijnen om de partij door de naweeën van de oorlog te loodsen. Een nadrukkelijke omarming van het algemeen stemrecht voor vrouwen vanaf 21 jaar voor alle verkiezingsniveaus maakt deel uit van de verklaring.18 Op 4 maart 1945 stemt een nieuwe vergadering van het Bestendig Comité in met vrouwenstemrecht. In juni bevestigt de partij op haar eerste naoorlogse congres voor de eerste maal op formele wijze haar principiële engagement voor algemeen kiesrecht voor vrouwen, zonder dit te koppelen aan dossiers rond burgerlijke ontvoogding en hervorming van huwelijksrecht, met meteen ook de vraag aan de liberale ministers en mandatarissen om hier zo snel mogelijk werk van te maken. Een minderheidsfractie op het congres blijft omwille van electorale redenen nog steeds afkerig staan ten aanzien van direct vrouwenstemrecht en stemt tegen.19 Het hoeft niet te verbazen dat het in de praktijk niet de liberale ministers en mandatarissen zijn die spoed zetten achter dit prangende dossier. Integendeel zelfs.

Op 12 oktober 1945 dient de Luikse liberaal Jean Rey in de middenafdeling van de Kamer, die zich over een geüniformeerd wetsvoorstel voor vrouwenstemrecht buigt, een amendement in om aparte stembiljetten voor vrouwen en mannen te verzekeren of aparte stemmingen voor mannen en vrouwen te organiseren, om op die manier preciezer de publieke opinie van de vrouwelijke helft van de bevolking te kunnen meten. Het amendement wordt in de middenafdeling verworpen met als argument dat het vrouwelijke electoraat geen proefkonijn hoeft te spelen voor welk sociologisch onderzoek dan ook.20 De latente angst voor het kiesgedrag van vrouwen zorgt in het parlement niet veel later voor een nog veel controversiëler amendement. Wanneer op 24 oktober 1945 in de Kamer het wetsvoorstel van de middenafdeling voor vrouwenstemrecht voor ligt, dient de liberale minister van Binnenlandse Zaken, Adolphe Van Glabbeke, een amendement in waarmee de toenmalige regering-Achiel Van Acker, niet toevallig een regering zonder katholieken, de invoering uitstelt tot 1947. Hierdoor zou vrouwenstemrecht in normale omstandigheden pas gelden voor de verkiezingen van 1950, en dus niet reeds voor de eerste geplande naoorlogse verkiezingen van februari 1946 zoals de katholieken beoogden.21

Van Glabbekes amendement in naam van de regering is volgens zijn betoog in de Kamer deels ingegeven door de vrees dat collaborateurs hun stem zouden laten horen door hun echtgenote, moeder of zus in hun plaats te laten stemmen.  Volgens Van Glabbeke kan het, gezien de lopende repressie, niet door de beugel dat vrouwelijke verwanten van collaborateurs, wiens politieke rechten waren ontnomen, zouden stemmen bij de eerste naoorlogse verkiezingen.22 Van Glabbekes retoriek over de ‘incivieken’ verbergt nauwelijks het feit dat er aan liberale zijde nog steeds angst is voor snel electoraal voordeel voor de katholieken.

Diner naar aanleiding van het liberaal partijcongres van 1951, met o.a. Adolphe Van Glabbeke (5de van links), Georgette Ciselet (4de van links) en Jean Rey (2de van rechts).

Door het amendement van Van Glabbeke verzeilt het wetsvoorstel opnieuw in de middenafdeling van de Kamer en blijft bij de verkiezingen van februari 1946 alles bij het oude.23 Wanneer de Liberale Partij kort nadien in november 1945 een vervolgcongres laat doorgaan, stellen sommige liberale volksvertegenwoordigers zelfs opnieuw het vrouwenstemrecht publiekelijk in vraag vanuit een electorale strategie.24 Het vertragingsmanoeuvre van de regering onder impuls van liberale politici, en de laatste discussies op het liberale partijcongres zijn niets meer dan een laatste achterhoedegevecht. Zoals kopstuk en minister van Staat Albert Dévèze op het partijcongres in november opmerkt en Brussels volksvertegenwoordiger Charles Janssens later in de Kamer bevestigt, is er geen weg terug. De partij heeft zich in haar engagement voor de naoorlogse democratie principieel achter het vrouwenstemrecht geschaard en kan niet anders dan haar belofte in daden omzetten, tot vreugde van de liberale vrouwenbeweging.25

“Partisan sincère et convaincu de l’émancipation complète de la femme au point de vue professionnel, matériel, intellectuel, juridique et moral, le parti libéral ne pourrait, sans se contredire, lui refuser le plein exercice de ses droits politiques.”

(Charles Janssens, Kamer van Volksvertegenwoordigers, 18 februari 1948)

Georgette Ciselet op de voorpagina van Pourquoi pas? (1949).

1948-1949: eind goed, al goed

Begin 1947 stelt de socialistisch-christen-democratische regering-Paul-Henri Spaak opnieuw een wetsvoorstel voor vrouwenstemrecht in het vooruitzicht. Uiteindelijk verleent de wet van 27 maart 1948 vrouwen vanaf 21 jaar voor beide kamers stemrecht. Alle liberalen - die sinds 1946 weliswaar een sterk uitgedunde fractie uitmaken - stemmen voor. Door deze unanieme goedkeuring komt de Liberale Partij voor de eerste maal volledig in het reine met een consequente toepassing van haar principes - vrijheid, rechtvaardigheid en vooruitgang - op het gebied van politieke vrouwenrechten. Er vallen in 1948 slechts drie socialistische hardleerse neen-stemmen te bespeuren in zowel de Kamer als de Senaat.26

Inmiddels had de liberale partijtop de prominente feministe Georgette Ciselet gecoöpteerd als senatrice. Ciselet zet zich sinds 1946 in de Senaat succesvol in voor de burgerlijke ontvoogding van de (gehuwde) vrouw en de toegang van vrouwen tot de magistratuur en het notariaat. In 1949, na de eerste verkiezingen waar vrouwen mogen stemmen en de partij het verlies van 1946 ten dele goedmaakt, wordt Ciselet opnieuw gecoöpteerd nadat ze niet rechtstreeks verkozen raakt.27 Met deze symbolische daad slaagt de partij erin om de eerste eeuwhelft op het gebied van de politieke en burgerlijke emancipatie van vrouwen met een positieve noot af te sluiten.

 

Christoph De Spiegeleer, Liberas, 2025.

Bronnen, noten en/of referenties

1. Eigen vertaling van ‘les femmes belges étaient devenues de véritables objets de curiosité dans le monde féminin international. (…) Faudra-t-il attendre que votent les femmes du Zoulouland pour que nous puissions voter?’ (Kamer van Volksvertegenwoordigers, Parlementaire documenten, nr. 239, 1944-1945, Verslag namens de middenafdeling door mevrouw Blume-Grégoire’, 16 oktober 1945).

2. Els Witte, ‘Tussen experiment en correctief. De Belgische gemeentelijke kieswetgeving in relatie tot het nationale kiesstelsel’, in: De gemeenteraadsverkiezingen en hun impact op de Belgische politiek (1890-1970) (Brussel: Gemeentekrediet, 1994) 30, 32, 57, 62; Catherine Jacques en Claudine Marissal, ‘L'apprentissage de la citoyenneté au féminin. Les élections dans l'agglomeration bruxelloise, 1921-1938’, in: Cahiers d'Histoire du Temps présent, nr. 4 (1998): 88-89; Nathalie Botteldoorn en Leen Van Molle, ‘De gemeentepolitiek als leerschool? Vrouwen in de Oost-Vlaamse gemeenteraden, 1920-1940’, in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, nr. 4 (1998): 120; Leen Van Molle en Éliane Gubin, Vrouw en politiek in België (Tielt: Lannoo, 1998) 330.

3. Denise Keymolen, Greet Castermans en Miet Smet, De geschiedenis geweld aangedaan. De strijd voor het Vrouwenstemrecht, 1886-1948 (Antwerpen/Amsterdam: De Nederlandsche Boekhandel, 1981) 24-25; La Réforme, 16 oktober 1894, 1; ‘Séance du 4 avril 1895’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 1266.

4. Déclaration de la Gauche Libérale du Suffrage universel et de la Représentation proportionnelle (Brussel: s.n., 1901); La Réforme, 12 juli 1901, 1; Julie Carlier, ‘Moving beyond boundaries. An entangled history of feminism in Belgium, 1890-1914’ (PhD diss., UGent, 2010) 250.

5. Keymolen, Castermans en Smet, De geschiedenis geweld aangedaan, 35-36.

6. Emmanuel Gerard, De schaduw van het Interbellum. België van euforie tot crisis, 1918-1939 (Tielt: Lannoo, 2017) 47-50.

7. Congres der Belgische Liberale Partij van 27 juli 1919 (Brussel: Etablissements Généraux d'imprimerie, 1919) 1-5, 38.

8. ‘Séance du 10 avril 1919’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants,  793-795.; Keymolen, Castermans en Smet, De geschiedenis geweld aangedaan, 52; Els Witte, ‘Tussen experiment en correctief’, 58-59; ‘Séance du 25 février 1920’, in:  Annales parlementaires, Chambre des représentants, 405; ‘Séance du 13 avril 1920’, Annales parlementaires. Sénat, 215.

9. ‘Séance du 25 février 1920’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 404; ‘Séance du 3 mars 1920’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 461; Els Witte, ‘Tussen experiment en correctief’, 62-63; Jeffrey Tyssens, Levensbeschouwelijk linkgs en de schoolkwestie, 1918-1940 (Brussel: VUBPress, 1993) 169-170.

10. ‘Séance du 25 février 1920’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 401.

11. ‘Séance du 25 février 1920’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 405.

12. ‘Séance du 3 mars  1920’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 461.

13. Christoph De Spiegeleer, ‘Adolphe Max’, in: Encyclopedie van de Vlaamse beweging, 2024, geraadpleegd 16.12.2024; Jeffrey Tyssens, ‘Van oppositie- naar regeringsliberalisme: Paul Hymans (1865-1941)’, in: Liberale leiders in Europa. Portretten van prominente politici in de negentiende en vroege twintigste eeuw, ed. Patrick Van Schie (Amsterdam: Boom, 2008) 167, 176.

14. ‘Séance du 25 févier 1920’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 398.

15. ‘Séance du 26 févier 1920’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 427.

16. Keymolen, Castermans en Smet, De geschiedenis geweld aangedaan, 62; ‘Séance du 14 juillet 1921’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 2173; ‘Séance du 19 juillet 1921’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 2240.

17. La Dernière Heure, 21 oktober 1935, 3; Praktische gids van den liberalen voordrachtgever. Wetgevende en provinciale verkiezingen 1936 (Brussel: Landsraad der Liberale Partij, 1936) 53-59; Liberale Dagen van den 19 en 20 oktober 1935. Ontwerpen van besluiten, uitgewerkt door de Bestendige Commissie van de Landsraad der Liberale Partij (Brussel: s.n., 1935), 8-9.

18. Liberas, Archief Liberale Partij/Parti Libéral -PVV/PLP (archief nr. 15), Liberale Partij en de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (1944-1974), 10, Dossiers mbt andere vergaderingen, Bestendig Comité van 26.11.1944, Notulen vergadering, 39-42.

19. Liberas, Archief Liberale Partij/Parti Libéral -PVV/PLP (archief nr. 15), Liberale Partij en de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (1944-1974), 11, Dossier mbt congressen, Congres van 23-24.6.1945, Notulen congres 23 juni 1945, 40-41; Van Molle en Gubin, Vrouw en politiek in België, 39.

20. Kamer van Volksvertegenwoordigers, Parlementaire documenten, nr. 239, 1944-1945, Verslag namens de middenafdeling door mevrouw Blume-Grégoire, 16 oktober 1945).

21. Van Molle en Gubin, Vrouw en politiek in België, 39-40.

22. ‘Séance du 24 octobre 1945’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 1170.

23. Van Molle en Gubin, Vrouw en politiek in België, 40; Keymolen, Castermans en Smet, De geschiedenis geweld aangedaan, 73.

24. Liberas, Archief Liberale Partij, Liberale Partij en de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (1944-1974), 13, Dossiers mbt congressen, Congres van 24-25.11.1945, Notulen congres 24 november 1945, 48-56; Bart D’hondt, Gelijke rechten, gelijke plichten. Een portret van vijf liberale vrouwen (Brussel/Gent: Vrouw en Vrijheid/Liberaal Archief, 1996) 96.

25. Liberas, Archief Liberale Partij, Liberale Partij en de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (1944-1974), 13, Dossiers mbt congressen, Congres van 24-25.11.1945, Notulen congres 24 november 1945, 52; ‘Séance du 18 février 1948’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 12-13.

26. ‘Séance du 19 février 1948’, in: Annales parlementaires, Chambre des représentants, 6; Van Molle en Gubin, Vrouw en politiek in België, 40.

27. Van Molle en Gubin, Vrouw en politiek in België,  95, 184, 322, 327; D’hondt, Gelijke rechten, gelijke plichten, 104.

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Christoph De Spiegeleer, "De Liberale Partij en vrouwenstemrecht (1900-1950)", Liberas Stories, laatst gewijzigd 13/03/2025.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Liberas heeft geprobeerd alle rechthebbenden op beeldmateriaal te contacteren. Personen of organisaties die zich alsnog in hun rechten voelen geschaad nemen contact op met Liberas vzw, Kramersplein 23, 9000 Gent.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op