Rahier maakt deel uit van de Franstalige gemeenschap die in de eerste helft van de twintigste eeuw in Antwerpen zichtbaar aanwezig en actief is. De kranten Le Matin (liberaal) en La Métropole (katholiek) zijn er de spreekbuizen van. Er is een bloeiend cultureel leven met toneelopvoeringen, lezingen en boekbesprekingen. In verenigingen zoals La Renaissance d’Occident, de Grand Cercle Wallon, en de Groupement Universitaire d’Anvers pour la Société des Nations maakt hij kennis met figuren als Eric Sasse, Fernand Demany, Paul Hymans, Paul-Emile Janson, Jules Destreé, e.a. Hij houdt in deze kringen zelf lezingen over diverse culturele onderwerpen.
Rahier voelt zich in deze Franstalige middens bijzonder in zijn sas. In zijn teksten geeft hij sneren naar de Vlaams-nationalisten maar ook naar de rexisten die naar zijn aanvoelen het land kapot hebben geholpen. Zijn geest is wel voldoende open om hiermee om te gaan. Tijdens de Achttiendaagse Veldtocht werkt hij bijvoorbeeld nauw samen met Karel Engelbeen, een man met een duidelijk Vlaamsgezinde stempel die naderhand volop in de collaboratie belandt.7
Rahier kan getypeerd worden als een vrijzinnige Franstalige liberaal. Hij zet reeds op jonge leeftijd daadwerkelijk de stap in de richting van de Liberale Partij. Eind 1929 is hij twee jaar voorzitter van de Antwerpse Ligue de la Jeunesse Libérale. De - bijna logische - volgende stap zet hij in de richting van de Association libérale et constitutionelle d’Anvers, waar de Antwerpse Franstalige liberalen elkaar vinden. De partijtop ziet veel potentieel in de jongeman en biedt hem de kans om vlug deel uit te maken van de bestuursorganen, ook op nationaal vlak.
Al vlug ontdekt de intellectueel echter het verschil tussen theorie en praktijk. Rahier koestert het liberale gedachtegoed maar bekijkt met enige reserve hoe politici dit in de praktijk brengen. Wanneer zijn pleidooi voor verandering in dovemansoren valt, trekt hij zijn conclusies en zegt de partijpolitiek vaarwel.
‘Périmé comme doctrine de parti, le libéralisme me semble devoir survivre comme une attitude de l’esprit car, autant il est sage et raisonnable, et prudent aussi d’admettre qu’en un période troublée, l’Etat, ce corps anonyme, limite l’initiative des audacieux, protège les droits des faibles ou des moins doués et, de façon générale, contrôle nos entreprises et tienne en laisse notre instinct de conquête, autant il est naturel et même souhaitable que l’être humain qui par civisme s’accomode de cette contrainte, la considère comme un pis-aller, comme un mal, nécessaire mais contemporaine, et aspire au retour de la liberté qui est, par essence, le climat de l’homme.’8
Vrijheid is voor hem het hoogste goed!