Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.

Deprecated: Function strftime() is deprecated in /data/sites/web/webdoosio/subsites/klanten.webdoos.io/liberas/views/magazineartikel.php on line 13
Longread

Een refrein dat zweeft op de lippen van elke liberaal. Over het Geuzenlied

’Van ’t ongediert der papen, Verlost ons Vaderland’. Het zijn twee overbekende regels uit het Geuzenlied op tekst van Julius De Geyter, dat lang het ‘lijflied’ van de Belgische liberalen is. Het beroert de gemoederen en leidt tot parlementaire debatten. Zelfs een vraag erover in een televisiequiz veroorzaakt een polemiek.

Peter Laroy
15 April 2022

Auteur Cyriel Buysse beschrijft in een tekst met als titel Liberale politiek (1904) hoe het er in zijn jonge jaren aan toegaat op een meeting van de Liberale Partij: meeslepende toespraken, daverend applaus en een slotzin (meestal in het Frans uitgesproken) die meteen leidt tot een manifestatie in de straten onder het zingen van het lied ‘Van ’t ongediert der papen’.1 Het is betekenisvol dat Buysse naar dit lied verwijst. In het laatste kwart van de negentiende eeuw weerklinkt het telkens weer waar liberalen of vrijzinnigen elkaar ontmoeten. Tot diep in de twintigste eeuw kennen militanten delen van dit Geuzenlied en staat het op het repertoire van ‘blauwe’ fanfares. Het mag gerust worden beschouwd als een van de belangrijke symbolen uit de geschiedenis van het (vrijzinnig) liberalisme in België.

Portret Julius De Geyter.

Ongedierte der papen

Traditioneel wordt verondersteld dat Julius De Geyter (1830-1905) de tekst schrijft in februari 1872 naar aanleiding van het verblijf van de Franse graaf van Chambord in Antwerpen. Diens aanwezigheid lokt controverse uit tussen katholieken en liberalen. Het zingen van ‘de Vlaamse leeuw’ door de katholieken inspireert De Geyter tot een ‘tegenversie’ onder de titel De Vlaamsche Leeuw en de Geuzen. In 1912 schrijft Het Volksbelang uitgebreid over deze ontstaansgeschiedenis. Tegelijkertijd signaleert het blad dat in oktober 1873 Alexander Fernau de tekst als basis gebruikt voor een nieuwe compositie, voor het eerst uitgevoerd door Edmond Hendrikx op een bijeenkomst van de vrijmetselaarsloge Les Elèves de Thémis.2 De componist schrijft korte tijd nadien een arrangement voor fanfares. Het lied verspreidt zich vlug verder in liberale kringen, in tal van muzikale uitvoeringen (klik hier voor een geluidsopname).

Naar aanleiding van een merkwaardig voorval in 1968 (zie kader) ontstaat een polemiek over de ontstaansdatum van het Geuzenlied. Op basis van diverse bronnen, verschillende drukken en een grondige inhoudelijke analyse van de tekst, geraken de betrokken literair-historici het er wel over eens dat het lied waarschijnlijk in verschillende fasen zijn definitieve vorm krijgt. Niet enkel de aanwezigheid van Chambord maar ook de tussentijdse verkiezingen voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers van 15 tot 17 september 1873, zijn bepalend voor de totstandkoming. Ter gelegenheid van die verkiezingen krijgt het oorspronkelijke lied zijn meer vrijzinnig-liberale ondertoon. Vooral de slotregels van de derde strofe maken daarbij school en staan later als begrip bijna op zichzelf: “Van ’t ongediert der papen, Verlost ons Vaderland.”3

Het lied krijgt eveneens een Franse vertaling door Eugène Gens (1814-1881). Deze leraar geschiedenis aan het Antwerpse atheneum heeft verschillende historische werken op zijn actief. Hoewel niet meteen de meest literaire figuur, beschikt hij over een goede pen. Zijn Franstalige versie is opgedragen aan de Antwerpse liberale politicus Fernand ‘Nand’ Van der Taelen. Er verschijnen eveneens Nederlandstalige varianten op het Geuzenlied, met een of meer aangepaste zinnen. De tekst inspireert ook letterkundigen. Zo schrijft Karel Bogaerd in 1881 een gedicht dat eindigt met “de dag dat elk zijn eigen koning, en ook zijn eigen paus zal zijn”, een zin die zo uit het Geuzenlied is gehaald.

Volkshymne of schandig partijlied?

Liberalen spreken enkel in superlatieven over het lied van De Geyter. In het laatste kwart van de negentiende eeuw zingen zij het te pas en te onpas. Het lied weerklinkt op politieke bijeenkomsten maar ook op prijsuitreikingen in officiële scholen. De volledige tekst verschijnt in liberale weekbladen en verspreidt zich verder via pamfletten. Reeds in november 1875 noteert Het Handelsblad dat op ieder ‘geuzenfeest’ het lied weerklinkt.4 Louis Hymans schrijft in zijn boek La Belgique Contemporaine dat dit de enige volkshymne is die het hart van de massa kon beroeren.5 “Het is een lied dat zweeft op de lippen van iedere praal, oude pruik of vooruitstrevend”, aldus nog een liberaal blad in 1892.6 Vanzelfsprekend verschijnt het lied ook in het Nederlandsch Liederboek van het Willemsfonds.7 Tientallen jaren later schrijft Julius Hoste sr. naar aanleiding van het overlijden van De Geyter: “Kennen niet alle vrijzinnigen van ons land de Geyter’s machtig Geuzenlied, dat zoo ontzettend veel heeft bijgedragen tot de herleving van de liberale partij?”8

Omgekeerd werkt het Geuzenlied als een lap op een rode stier bij katholieke tegenstrevers. De katholieke pers heeft het over een “door en door gemeen geuzenlied”, een “oneerlijk lied dat altijd een schandmerk voor de makers zal zijn”, een “liberale Marseillaise” en een “schandig partijlied” dat oproept tot “burgeroorlog” en uitblinkt door “onbeschofte taal”.9 De kranten hekelen bij herhaling dat de burgerwacht in Antwerpen het stuk zingt. Veelvuldig zijn de stukken die erop wijzen dat nachtelijke rustverstoorders het Geuzenlied zingen. Wat is het lied meer dan een nachtbrakerslied, zo luidt de schampere ondertoon. Het opduiken van de Franse versie grijpen de katholieke kranten aan om alle registers open te trekken in het kader van de Vlaamse strijd. De maskers vallen af en nu is de ware aard van de liberalen zichtbaar.10 Zoals wel meer het geval is bij dergelijke polarisaties, sparen de opiniemakers hun tegenstrevers niet: “Wanneer ik dat lied hoor zingen door jonge meisjes en jonge vrouwen, heb ik medelijden met hen en medelijden met het geslacht, waarvan zij de moeders zullen worden.”11 Dat er een variant mogelijk is met daarin het fragment “’t ongediert der geuzen” is gelukkig voor hen mooi meegenomen.

Het debat over het Geuzenlied haalt zelfs het parlement, wat nog maar eens toont hoe het op korte tijd uitgroeit tot een belangrijk symbool. In de zitting van de Kamer van Volksvertegenwoordigers van 17 mei 1876 trekt de katholiek Charles Woeste een eerste keer van leer tegen het Geuzenlied. Dit is nog eens het geval tijdens de zitting van 8 februari 1883. Aanleiding vormt een incident in Menen op 5 februari. Leerlingen van de regimentschool wandelen er na afloop van een oefening in de straten en zingen luidkeels het Geuzenlied. De Kortrijkse katholieke volksvertegenwoordiger Auguste Reynaert ontketent een kleine discussie wanneer hij dit in het parlement aanklaagt. Hij ziet het als een “wezenlijke belediging van de krijgstucht en de katholieke bevolking van Menen”. De Brusselse liberaal Gustave Jottrand antwoordt daarop laconiek dat dit lied een ‘nationaal lied’ is. Deze reactie geeft aanleiding tot luid protest op de oppositiebanken. De katholiek Charles de Montpellier stelt onomwonden dat het een lied is van de liberalen. In de zitting van 13 februari komt het hierover tot een volgende discussie. De liberale minister van Defensie Guillaume Gratry gaat in discussie met J.J. de Laet. Deze volksvertegenwoordiger citeert in het Frans enkele regels uit het lied om het gemene karakter aan te tonen. Daarop merkt de liberale minister van Justitie Jules Bara droogjes op dat hij moet opletten aangezien hij een gevaarlijk lied aan het zingen is. Er klinkt luid gelach, dat zich nog eens herhaalt wanneer liberaal Julius De Vigne opmerkt dat er ook wel een klerikale tekst is op die melodie. Minister van Binnenlandse Zaken Frère Orban vindt het daarop welletjes en sluit de zitting met de mededeling dat de betrokken officier is gestraft.12 Jaren later duikt het lied nog eens op in het parlement. In een Kamerdebat op 20 juni 1911 stelt Emile Vandervelde onomwonden dat het lied de socialisten met de liberalen verbindt.

De Geyters levenswerk

Dankzij het Geuzenlied wint Julius De Geyter heel wat aan populariteit.13 Op 4 september 1876 wordt hij benoemd tot ridder in de Leopoldsorde en lijkt zijn carrière in een stroomversnelling te zijn gekomen. Maar het verdwijnen van het liberale overwicht in het nationale bestuur in 1884 heeft ook voor hem kwalijke gevolgen.14 Voor de katholieken is De Geyter niet meer dan een opportunist en overloper: ooit katholiek, vervolgens aanhanger van de Meetingpartij en uiteindelijk bij de ‘geuzen’.15 Hij slaagt er niet in zijn ambities waar te maken. Bij zijn overlijden op 18 februari 1905 toont vooral de liberale wereld zich diep bedroefd. Zijn uitvaartplechtigheid verloopt onder grote belangstelling. Niet zonder symboliek houdt de rouwstoet even halt voor het gerechtsgebouw en speelt er het Geuzenlied.16 Bij de onthulling van het gedenkteken op zijn graf enkele maanden later, schuwt Julius Hoste sr. de superlatieven niet: “De zangen van Julius De Geyter hebben wel het edelste doen kloppen wat een mensch gevoelt; de vrijheid van geweten – de vrijheid van denken.” En verder onderstreept Hoste: “met zijn krachtigen geuzenzang heeft hij ons tot de zegepraal in de Scheldestad geleid” en “de zangen van de Geyter zullen eeuwig leven zooals: Van ’t ongediert der papen, ons strijdlied blijven zal”.17

Geuzenlied

Zij brullen ‘Leeuw van Vlaanderen’!

En huilen tegen ons,

Zij die den Leeuw doen kruipen,

Doen kruipen voor Bourbons!

O Breydel en De Coninck,

Gent, Brugge van weleer,

Heeft Vlaandren dan geen Kerels,

Hebt gij geen Klauwaarts meer?

Op, Geuzen! Wreekt uw vaderen;

Zwaait gij de Leeuwenvaan!

Wee, wee den landverraderen,

Wanneer hun uur zal slaan

 

Blikt om u heen, o Broederen!

Trekt gansch de wereld rond:

Weer rijzen als paleizen

De kloosters uit den grond.

Het glanzend licht der rede,

Dat licht moet uitgedoofd,

Voor bedevaart, mirakels,

En spoken in het hoofd…

Ach, over Leie en Schelde

Hangt zulk een sombre nacht…

O Land van Artevelde,

De Geuzen houden wacht!

 

Jezuïeten zaaien tweedracht;

Zij blazen haat en twist;

Wij juichen: ‘Recht en rede!’

Zij grijnzen: ‘Laag en list!’

Hoort, - Rome smeedt ons ketens

Voor ’t lijf en voor de ziel;

Het zwart gespuis zal ’t menschdom

Verplettren met den hiel

Dan, Geuzen, dan te wapen,

De Vrijheidsvlag ter hand:

Van ’t ongediert der papen

Verlost ons Vaderland!

 

Wanneer rijst eens het daglicht

In de aardsche rampwoestijn,

Dat elk zijn eigen Koning,

Zijn eigen Paus zal zijn?

Geen slaven meer aan ketens,

Geen ziel aan boei of band,

En ’t menschdom, gansch het menschdom,

Een enkel Broederland!

Dat willen wij, o Geuzen!

Al kost het goed en bloed;

Wij gaan vooruit als reuzen,

Vooruit met leeuwenmoed.

 

Chant des Gueux

Frères! On nous menace:

Célébrant un Bourbon,

Ils font en leur audace,

Ramper le Vieux Lion ;

Debout ! Lion de Flandre

Vous, nos aieux vaillants,

Nous saurons vous défendre,

Contre ces mécréants,

Flamands, Wallons, aux armes !

Serrons nos rangs amis ;

Point de vaines alarmes,

Marchons à l’ennemi !

 

Des rives de la Meuse,

Des plaines de Brabant,

Vous, troupes valeureuses,

Joignez-vous à nos rangs !

Bas ! ces palais splendides,

Autres d’oisiveté,

Ou des moines avides,

Cachent leu volupté !

On veut, d’une sombre voile,

Obscurir la raison…

Mais de nos gueux l’Etoile

Se lève à l’horizon

 

Des apôtres de haines,

De discorde et d’erreur,

Pour nous forgent des chaines :

Malheur, à eux malheur !

Troupe d’infame d’Ignace,

Qui veut nous asservir,

De ton abejcte race

Le Gueux sait s’affranchir,

Brigands que la nature

Pour le crime a vomis !…

De la vermine impure

Délivrons le pays !

 

Quand donck luira l’aurore

De ce jour enchanteur

Ou nous verrons écloré

Un eternel bonheur ?

Sur terre plus d’esclaves,

Pauvres ou ignorants ;

Plus de liens ni entraves

Ni moines ni tyrans

Tels sont nos vœux sincères

Et nos désirs ardents…

Flamands, Wallons, tous frères

En avant, en avant.

Geuzenlied zorgt voor beroering in 1968

De populaire televisiequiz 100.000 of niets op de Belgische Nederlandstalige televisieomroep liep van 1956 tot 1959. In 1968 grepen de programmamakers terug naar het format van deze thematische kennisquiz die de winnaar de mooie en voor die tijd toch wel interessante som van 100.000 Belgische frank kon opleveren. Op zaterdagavond 16 november 1968 stond het thema Vlaamse Beweging centraal. De bepalende slotvraag betrof de datum waarop het befaamde Geuzenlied het licht had gezien. De kandidaat antwoordde hierop met 1874, een weetje dat hij haalde uit een boek van historicus H.J. Elias. Het oordeel van de jury was snoeihard: het juiste jaartal was 1872, fout antwoord en dus geen prijs voor de kandidaat. Meteen barstte een discussie los en die ging de daaropvolgende dagen verder in de pers. De diep ontgoochelde kandidaat verscheen in interviews en onderstreepte dat hij een jaartal had gegeven dat door een historicus was neergezet. Hij kon er toch niets aan doen dat er hierover onenigheid was onder de geschiedkundigen, een feit dat hem (en ook het grote publiek) onbekend was.

De juryleden en de openbare televisieomroep kregen er ongenadig van langs. “Indien de Vlaamse Televisie geen ernstige kwissen kan op touw zetten, dat zij het dan niet doet,” schreef Het Laatste Nieuws. De verantwoordelijken namen de daaropvolgende dagen de zaak ter harte maar waren niet geneigd om toe te geven aan de druk van de publieke opinie. Na enkele dagen kreeg de deelnemer toch zijn cheque ter waarde van 100.000 frank overhandigd. Sponsor Salami Imperial uit Lovendegem voelde beter dan de televisiemakers hoe groot de imagoschade kon zijn.

Het voorval was voor historici een aanleiding om zich in de zaak te verdiepen. In de bijdragen die enkele maanden nadien omtrent dit onderwerp in wetenschappelijke tijdschriften verschenen, maakten zij duidelijk dat de heibel inderdaad de basis vormde om dieper in te gaan op de ontstaansgeschiedenis van het Geuzenlied. Het is zonder twijfel een van de eerste gevallen uit de Belgische mediageschiedenis waarbij onderzoekers aan de slag gingen om op basis van een televisieprogramma nieuw onderzoek te gaan voeren.
Het Geuzenlied zorgde bijna 100 jaar na zijn ontstaan nog steeds voor heel wat beroering. De Geyter had het graag gezien…18

Bronnen, noten en/of referenties

1. Luc Van Doorselaer, ‘Politieke standpunten in het werk van Cyriel Buysse’, in: Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap, 6 (1990): 21 [geraadpleegd 6 januari 2021]. “Dit artikel maakt deel uit van de rubriek Vlaamse Kroniek die Buysse onder het pseudoniem Prosper van Hove tussen 1903 en 1906 verzorgde in Groot Nederland, het literaire maandblad waarvan Buysse samen met Couperus en Van Nouhuys de redactie vormde.”

2. Het Volksbelang, 27 april 1912.

3. Ludo Simons, Van ’t ongediert der Papen. Rondom De Geyters Geuzenlied (Heule: UGA, 1968); René Felix Lissens, ‘Een visie op Julius De Geyters ‘Geuzenlied’’, in: Spiegel der Letteren, 12 (1969-1970): 176-184; L. De Smet, ‘Het Geuzenlied van Julius de Geyter. De legende van 1872’, in: Wetenschappeljjke Tijdingen, 28, nr. 1 (1969): kol. 1-4, gevolgd door ‘Julius de Geyter ten tijde van het Geuzenlied. Een onbekend dokument’, kol. 5-11; J. Boets, ‘Aangaande het ‘Geuzenlied’’, in: Wetenschappelijke Tijdingen, 29, nr. 4 (1970): kol. 271-282.

4. Het Handelsblad, 12 november 1875.

5. Louis Hymans, La Belgique contemporaine (Mons: Manceaux, 1884) 154.

6. De Denderbode, 10 juli 1892.

7. Nederlandsch Liederboek (Gent: Willemsfonds, 1891) 88-93.

8. Het Volksbelang, 15 april 1905.

9. Het Handelsblad, 22 juni 1875, 15 juli 1875, 4 juni 1876, 5 februari 1881, 12 oktober 1886.

10. Het Handelsblad, 7 december 1875.

11. Het Handelsblad, 16 september 1909.

12. L’Echo du Parlement, 14 februari 1883.

13. Het Laatste Nieuws, 5 januari 1905, 6 januari 1905.

14. Het Laatste Nieuws, 2 februari 1905.

15. Het Handelsblad, 22 juni 1875.

16. Het Laatste Nieuws, 24 februari 1905.

17. Het Laatste Nieuws, 9 oktober 1905.

18. Het Laatste Nieuws, 18 november 1968, 21 november 1968, 22 november 1968, 23-24 november 1968.

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Peter Laroy, "Een refrein dat zweeft op de lippen van elke liberaal. Over het Geuzenlied", Liberas Stories, laatst gewijzigd 08/12/2022.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op